Deblokkeren van bankrekeningen bij overlijden

Deblokkeren van bankrekeningen

  • Kan een akte of attest van erfopvolging opgesteld vóór 1 juli 2012 nog vanaf die datum gebruikt worden? Wat verandert er op 1 juli 2012?

    Programmawet van 29 maart 2012 - art. 157 tot 163 en Programmawet van 22 juni 2012 - art. 20 tot 22 en 35

    Kan een akte of attest van erfopvolging opgesteld vóór 1 juli 2012 nog vanaf die datum gebruikt worden?

    Ja: de verplichtingen die voortkomen uit de artikelen 157 tot 163 van de programmawet van 29 maart 2012 en de artikelen 20 tot 22 en 35 van de programmawet van 22 juni 2012 zijn alleen van toepassing op de akten of attesten van erfopvolging die vanaf 1 juli 2012 opgesteld worden, ongeacht de datum van het overlijden.

    De houders van fondsen kunnen die dus altijd vrijgeven op overlegging van een akte of attest van vóór 1 juli 2012, zonder dat ze daarbij rekening moeten houden met de hiervoor vermelde bepalingen. Het bewijs van de aflevering van het attest kan geschieden door alle rechtsmiddelen, getuigen en vermoedens inbegrepen.

    Wat verandert er op 1 juli 2012?

    Een notaris (of in voorkomend geval een kantoor Rechtszekerheid) die door de erfgenamen wordt gevraagd om een akte of attest van erfopvolging op te stellen, moet daarvan bericht geven aan de fiscale en sociale (RSZ of RSVZ) administratie.

    De betrokken administraties (fiscale en sociale (RSZ of RSVZ)) beschikken over een termijn van 12 werkdagen om bericht te geven van het bestaan van schulden, ten laste van de overledene of een erfgenaam, legataris of begunstigde van een contractuele erfstelling (= schenking tussen echtgenoten).

    Het zal dus niet mogelijk zijn om attesten van erfopvolging of uitgiften van akten van erfopvolging, die gevraagd zijn vanaf 1 juli 2012, af te leveren voor het verstrijken van die termijn.

  • Kan een bank, op grond van de artikelen 157 tot 163 van de programmawet van 29 maart 2012 en de artikelen 20 tot 22 en 35 van de programmawet van 22 juni 2012, het vrijgeven weigeren van het bedrag dat zonder bijzondere wettelijke formaliteiten aan de overlevende echtgenoot betaalbaar is?

    Artikel 1240ter van het Burgerlijk wetboek

    Nee: de verplichtingen die voortkomen uit de betrokken artikelen gelden onverminderd artikel 1240ter B.W., dat het mogelijk maakt tegoeden gedeponeerd op een gemeenschappelijke of onverdeelde zicht- of spaarrekening waarvan de overledene of de langstlevende echtgenoot houder of medehouder is of waarvan de langstlevende wettelijk samenwonende medehouder is tot een bepaald bedrag te betalen aan de overlevende echtgenoot of samenwonende.

  • Is het mogelijk bepaalde gewone schulden te doen betalen voordat de tegoeden op de rekening volledig vrijgemaakt zijn?

    Op verzoek van de instrumenterende notaris of van de rechthebbenden (erfgenamen, algemene legatarissen …) kan een bank, zonder dat de fiscale en sociale administraties de artikelen 157 tot 163 van de programmawet van 29 maart 2012 of de artikelen 20 tot 22 en 35van de programmawet van 22 juni 2012 zullen inroepen, een aantal ‘gewone’ schulden betalen, namelijk:

    • de bevoorrechte schulden bedoeld in artikel 19, eerste lid, 2° en 3° van de  hypotheekwet, onverminderd de voorrechten op grond van andere wettelijke bepalingen (in het kader van de erfopvolgingsakten en -attesten worden de rouwmaaltijden en de concessies geacht deel uit te maken van de begrafeniskosten);
    • de volgende kosten voor de laatste woonplaats van de overledene: facturen voor levering van water, elektriciteit, stookolie, gas, brandverzekering, huur of betaling van een termijn van een hypothecair krediet (volgens het betalingsplan van kracht bij het overlijden), met een vervaldag binnen de volgende termijn: de laatste drie maanden voor het overlijden en de eerste zes maanden na het overlijden.
  • Wat wanneer de overledene zijn voornaamste woonplaats in het buitenland had? Welke akte of welk attest van erfopvolging is dan vereist om de betaling van de tegoeden op rekeningen in België te verkrijgen?

    Wat dat betreft hebben de programmawetten van 29 maart 2012 en 22 juni 2012 niets gewijzigd aan de bepalingen van het Wetboek van internationaal privaatrecht.

  • Onverschuldigde betalingen van de wettelijke pensioenen betreffende de 1ste pijler en andere onverschuldigde uitkeringen van de sociale zekerheid voortkomende uit de creditering van een bankrekening na het overlijden van de begunstigde – automatische terugbetaling door de banken.

    De artikelen 157 tot 163 van de programmawet van 29 maart 2012 en de artikelen 20 tot 22 en 35 van de programmawet van 22 juni 2012 doen geen afbreuk aan de op de datum van inwerkingtreding van die wetten bestaande overeenkomsten tussen de banken en de openbare instellingen, debiteuren van die uitkeringen, waarin voorzien is dat op vraag van die laatste de onverschuldigde betalingen door de banken teruggestort worden.

  • Moet een notaris de vermelding over de afwezigheid van kennisgeving van fiscale schulden in de akte opnemen?

    Er wordt ook aanvaard dat de vermelding aan de voet van de uitgifte van de akte van erfopvolging opgenomen wordt.

    In art. 159 van de programmawet van 29 maart 2012 staat vermeld dat in voorkomend geval de akte van erfopvolging vermeldt dat noch lastens de overledene noch lastens een andere persoon vermeld in het bericht, kennis gegeven werd van het bestaan van schulden.

    In de sociale wetgeving moet die vermelding niet noodzakelijk in de akte opgenomen worden, maar mag ze aan de voet van de uitgifte vermeld worden. 

    In afwachting van de voorziene wijziging van art. 159 van de programmawet van 29 maart 2012, wordt ook aanvaard dat de vermelding over de fiscale schulden niet noodzakelijk in de akte opgenomen moet worden, maar dat het voldoende is ze aan de voet van de uitgifte op te nemen.

  • Kan een uitgifte van de akte van erfrechtverklaring of een attest van erfopvolging afgeleverd worden indien er lastens de overledene en/of lastens één of meerdere erfgenamen, legatarissen of begunstigden van een contractuele erfstelling fiscale schulden genotificeerd werden?

    Net als voor de sociale schulden wordt, in afwachting van de voorziene wijziging van artikel 160 van de programmawet van 29 maart 2012, ook voor de fiscale schulden aanvaard dat in het attest van erfopvolging of aan de voet van de uitgifte van de akte van erfopvolging dat afgeleverd werd, vermeld wordt hetzij:

    • dat er geen kennisgeving van schulden gedaan werd en dat zowel in hoofde van de overledene als in hoofde van één of meerdere personen die vermeld zijn in het bericht en die bestemmeling zijn van het attest of de uitgifte;
    • dat de schulden waarvan kennis gegeven werd, betaald zijn;
    • dat de schulden betaald mogen worden door middel van de tegoeden vastgehouden door de schuldenaar (een bank …).

    Bij de aanduiding in de akte/het attest van erfopvolging van de erfgerechtigden, erfgenamen, legatarissen en begunstigden van een contractuele erfstelling, wordt ook het mathematische aandeel van ieder van hen in de nalatenschap, vermeld in de volgende gevallen:

    1° indien één van de begunstigden toegelaten is tot een insolventieprocedure (faillissement, collectieve schuldenregeling of gerechtelijke reorganisatie). In dat geval worden alleen de tegoeden van de aandelen van de andere erfgenamen, legatarissen en begunstigden van een contractuele erfstelling zoals bepaald in de akte/het attest van erfopvolging, vrijgegeven;

    2° indien één van de begunstigden schuldenaar is van ter kennis gegeven fiscale of sociale schulden die van aard zijn om zijn aandeel in de nalatenschap te overschrijden zonder dat hij toegelaten zou zijn tot een insolventieprocedure. In dat geval kunnen alleen de tegoeden van zijn aandeel het voorwerp uitmaken van een inhouding zolang die schulden niet betaald worden. De andere tegoeden zullen vrijgegeven worden ten gunste van de andere erfgenamen, legatarissen en begunstigden van een contractuele erfstelling volgens de aandelen zoals die bepaald zijn in de akte /het attest.

  • Slaan de artikelen 157 tot 163 van de programmawet van 29 maart 2012 ook op de begunstigden van een levensverzekering aangegaan door de overledene of op zijn hoofd?

    De bepalingen waarvan sprake slaan op de erfgenamen, de legatarissen en de begunstigden van een contractuele erfstelling, maar niet op de begunstigden van een verzekering als dusdanig.

    Zijn aldus betrokken de begunstigden van een levensverzekering die contractueel recht hebben op een prestatie enkel en alleen vanwege hun hoedanigheid van erfgenamen van de overledene, d.w.z. in alle gevallen waarin het voordeel van de prestatie aan de nalatenschap van de overledene toekomt (art. 107, 110/1 en 111 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst).

    Indien de overeenkomst iemand met naam als begunstigde aanduidt (vb. eerste begunstigde of secundaire begunstigde in geval van vooroverlijden van de eerste …) blijft het vrijgeven van de tegoeden in uitvoering van de levensverzekering buiten het toepassingsgebied van de wet. In dat geval is het namelijk niet de gebeurlijke hoedanigheid van erfgenaam die recht geeft op de prestatie maar wel de aanwijzing in het contract als begunstigde.

    Hetzelfde geldt in geval van een algemene aanduiding (d.w.z. zonder naamvermelding) ten bate van - bijvoorbeeld - in het bijzonder ‘de kinderen van de verzekeringnemer’. Inderdaad, ook in dit geval is het niet de hoedanigheid van erfgenaam maar wel van ‘kind’ van de overledene die hen recht geeft op de prestatie, recht dat blijft bestaan zelfs in geval van verzaking aan de nalatenschap van de verzekeringnemer.

    Zoals hierboven vermeld, spreekt het voor zich dat in geval van een algemene aanduiding in de zin van ‘mijn wettelijke erfgenamen’ de bepalingen van de programmawet van 29 maart 2012 volledig van toepassing zijn op de overeenkomsten waarop artikel 110/1 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst van toepassing is: ‘Wanneer de wettelijke erfgenamen als begunstigden worden aangewezen zonder bij name te zijn vermeld, is, onder voorbehoud van tegenbewijs of andersluidend beding, de verzekeringsprestatie verschuldigd aan de nalatenschap van de verzekeringsnemer’.