Horecasector - bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.12.2015

De wet van 16.11.2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26.11.2015, bevat het nieuwe Horecaplan van de regering. Eén van de luiken van dit plan voorziet een uitbreiding van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor bepaalde overuren.

Eerst werd de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk, die geldt voor de eerste 130 overuren, uitgebreid tot 180 overuren voor werkgevers uit de Horecasector die gebruik maken van een geregistreerd kassasysteem.

Die gedeeltelijke vrijstelling wordt uitgebreid tot de eerste 360 overuren voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 december 2015.

In tegenstelling tot wat voorheen vereist was, moeten de betrokken werkgevers niet langer gebruiken maken van een geregistreerd kassasysteem.

Vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing in de horecasector, van toepassing op de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.12.2015

  • Welke werkgevers komen in aanmerking voor de verhoging van 130 tot 360 uren wat de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing betreft?

    De werkgevers die in hoofdzaak een activiteit uitoefenen in de Horecasector, nl. zij die ressorteren:

    • onder het paritair comité voor het hotelbedrijf (paritair comité nr. 302);
    • onder het paritair comité voor de uitzendarbeid (paritair comité nr. 322) indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het hotelbedrijf (paritair comité nr. 302).

    Een gemengd concept zoals een boekhandel met daarbij een restaurant kan van de vrijstelling genieten indien paritair comité nr. 302 erop van toepassing is. De hoofdactiviteit van de onderneming moet worden nagekeken. Een restaurant dat rechtstreeks van een supermarkt afhangt, die de hoofdactiviteit van de onderneming uitmaakt, ressorteert dus niet onder dat paritair comité.

    Ook wat de 'food trucks' betreft, vrachtwagens of bestelwagens die maaltijden aanbieden, moet worden nagegaan of zij ressorteren onder paritair comité nr. 302. Het feit dat zij louter ambulant zijn, is geen voorwaarde voor de toepassing van de regeling.

    Deze vrijstelling van doorstorting die is uitgebreid tot 360 uren, is niet onderworpen aan het gebruik van een geregistreerd kassasysteem.

  • Hoe wordt de berekeningsgrondslag voor de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing vastgesteld?

    Die berekeningsgrondslag bestaat uit de bezoldigingen met betrekking tot de werkelijk gepresteerde overuren die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag van 50 of 100%, ongeacht of deze effectief werden uitbetaald, dan wel omgezet in inhaalrust.

    Het betreft bruto bezoldigingen, dus voor de inhouding van de sociale bijdragen.

  • Hoeveel bedraagt het vrijstellingspercentage van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing?

    Het percentage van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedraagt momenteel 41,25%, zowel voor overuren met een wettelijke overwerktoeslag van 50% als voor overuren met een wettelijke overwerktoeslag van 100%.

    Dat percentage moet worden toegepast op de in de vorige vraag bedoelde berekeningsgrondslag. Het bekomen resultaat is het bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat niet in de schatkist moet worden gestort.

    Concreet betekent dit dat het bedrag van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing momenteel als volgt wordt berekend: aantal gepresteerde overuren dat recht geeft op een overwerktoeslag van 50 of 100% (beperkt tot de eerste 360 overuren) x bruto uurloon (vóór inhouding van sociale zekerheidsbijdragen) x 41,25%.

  • Moet de schuldenaar van de bezoldigingen de bedrijfsvoorheffing volledig op die bezoldigingen inhouden?

    De schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing moet de volledige bedrijfsvoorheffing inhouden op de bezoldigingen met betrekking tot de overuren verkregen door de werknemer. De bedrijfsvoorheffing moet worden berekend overeenkomstig de regels opgenomen in de Bijlage III, KB/WIB 92.

  • Hoe moet deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting worden verwerkt in de aangifte bedrijfsvoorheffing?

    Er moeten twee aangiftes bedrijfsvoorheffing worden opgesteld:

    1e aangifte

    In de eerste aangifte die betrekking heeft op alle werknemers wordt in de rubriek 'Belastbare inkomsten' het bruto belastbaar inkomen vermeld en in de rubriek 'Verschuldigde bedrijfsvoorheffing', de aanvankelijk verschuldigde bedrijfsvoorheffing.

    2e aangifte

    De tweede aangifte heeft betrekking op de werknemers waarvoor de vrijstelling gevraagd wordt. In de rubriek 'belastbare inkomsten' wordt de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode, vermeld.

    In de rubriek 'verschuldigde bedrijfsvoorheffing' wordt een negatief bedrag, gelijk aan 41,25% van het bruto bedrag van de bezoldigingen dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag, vermeld.

    Voor de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 01.12.2015, zal de code 55 enkel worden gebruikt in het kader van het paritair comité voor het hotelbedrijf (overwerktoeslag van 50 of 100%).


    Voorbeelden:

    1. Een werkgever die vanaf 01.01.2015 gebruik maakt van een geregistreerd kassasysteem, stelt een werknemer te werk die per 1 september 180 overuren heeft gepresteerd. Deze eerste 180 overuren komen dus in aanmerking voor de toepassing van de vrijstelling. Tussen 1 september en 30.11.2015, presteert diezelfde werknemer nog eens 40 overuren. Die overuren overschrijden de voor die periode geldende grens en komen dus niet in aanmerking.

    De uitbreiding van de maatregel van de eerste 130 uren tot de eerste 360 uren, is van toepassing vanaf 1 december.

    De betrokken werknemer heeft op 30 november reeds 220 overuren gepresteerd in 2015. De vrijstelling kan bijgevolg nog maar worden toegepast op de resterende 140 overuren die zouden worden gepresteerd in december 2015.

    2. Indien een werknemer  vóór 1 december 2015 reeds 360 overuren heeft gepresteerd, dan is het contingent opgebruikt (het moet namelijk gaan om de eerste 360 overuren) en kan de maatregel niet meer worden toegepast voor eventuele overuren gepresteerd in december 2015.

    3. Een werkgever uit de Horecasector maakt geen gebruik van een geregistreerd kassasysteem. Op 30.11.2015 stelt hij een werknemer tewerk die 200 overuren heeft gepresteerd vóór 1.12.2015. Hij kan voor de eerste 130 overuren genieten van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. De vrijstelling kan bovendien worden toegepast op 160 overuren die in december 2015 zouden worden gepresteerd.
     

  • Welke bewijsstukken moet de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing voorleggen om toepassing te mogen maken van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk?

    De schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing moet een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin, voor elke werknemer, de volledige identiteit, het aantal uren overwerk, de berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag en de periode van het jaar gedurende dewelke die werknemer overwerk heeft gepresteerd.

  • Kan de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing nog gebruik maken van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing nadat hij reeds de totaliteit van de bedrijfsvoorheffing heeft doorgestort?

    Wanneer de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing de volledige bedrijfsvoorheffing reeds heeft gestort terwijl hij in de voorwaarde verkeerde om aanspraak te maken van een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, kan hij tot 31 augustus van het jaar volgend op het inkomstenjaar deze situatie nog steeds rechtzetten via het indienen van een tweede (negatieve) aangifte bedrijfsvoorheffing.

    Vanaf 1 september van het jaar volgend op het inkomstenjaar is een regularisatie enkel mogelijk via een bezwaarschrift in te dienen bij de bevoegde gewestelijk directeur en wel binnen de 5 jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar vanaf wanneer de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is.