Invordering

WETTEN

  • Wet van 11 februari 2019 tot wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën wat de automatisering van de uitvoerbare titel betreft – BS 25 februari 2019
    Inwerkingtreding : 1 december 2019

    Deze wet brengt verscheidene wijzigingen aan in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een dienst voor alimentatievorderingen, wat de automatisering van de uitvoerbare titel inzake de onderhoudsuitkeringen en achterstallen betreft.

    De wet voorziet dat in geval van niet betaling van onderhoudsuitkeringen en achterstallen, deze schuld via een geautomatiseerde procedure aan een innings- en invorderingsregister wordt overgedragen. Dit register vormt de uitvoerbare titel voor de invordering van de onderhoudsuitkeringen en achterstallen, en dit ter vervanging van het dwangbevel.

    In tegenstelling tot het dwangbevel dat een individuele uitvoerbare titel is, is een innings- en invorderingsregister evenwel een algemene lijst die periodiek en op een geautomatiseerde wijze wordt opgemaakt en die de identificatie van de verschillende onderhoudsplichtigen evenals het bedrag, dat door ieder van hen verschuldigd is, bevat.

    Op deze manier wordt andermaal een stap gezet in de harmonisering en de toenemende mate van automatisering van het invorderingsproces van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, dat de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering toekomt.
     
  • Wet van 11 februari 2019 houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen – BS 22 maart 2019
    Art. 34 tot en met art. 57 hebben betrekking op de invordering

    Inwerkingtreding : De artikelen 93quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 434 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en 158 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, zoals vervangen door de bepalingen van huidige wet, treden in werking op 1 september 2019.

    In afwijking  treedt artikel 158, derde lid, 3°, van de programmawet (I) van 29 maart 2012, zoals gewijzigd bij artikel 51 van deze wet, in werking op 1 april 2019.

    Deze artikelen brengen wijzigingen aan in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de programmawet (I) van 29 maart 2012 en het burgerlijk Wetboek inzake het E-notariaat.

    Het e-notariaat kadert binnen de modernisering van de FOD Financiën, de administratieve vereenvoudiging en de kostenbesparing. Het heeft als hoofddoel het instellen van een elektronisch uitwisselingssysteem tussen enerzijds de notarissen en de ambtenaren van de aankoopcomités, en anderzijds de ontvangers. Het systeem is er op gericht de elektronische verzending te verzekeren van de berichten in geval van vervreemding of hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed, van de inlichtingen bij een tekort aan beslagen sommen, alsook van de berichten die de notarissen aan de ontvangers moeten sturen naar aanleiding van een verzoek om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoeld attest of akte van erfopvolging op te maken.

    Met de wet van 11 februari 2019 houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen wordt het e-notariaat uitgebreid zodat ook de kennisgeving die de ontvanger moet doen naar aanleiding van een bericht van vervreemding of hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed, of de kennisgeving die hij moet doen in het kader van het opmaken van een akte of attest van erfopvolging, elektronisch kan worden verzonden.
     
  • Wet van 17 maart 2019 tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen  - BS 10 mei 2019
    Art. 75 – 82  en 85 - 86 hebben betrekking op de invordering.

    Inwerkingtreding: 1 mei 2019

    Deze artikelen brengen een terminologische aanpassing aan in het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 en het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, dit naar aanleiding van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
     
  • Wet van 13 april 2019 tot wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, teneinde het bedrag op te trekken dat als inkomensbovengrens dient om aanspraak te maken op een voorschot op het onderhoudsgeld – BS 29 april 2019
    Inwerkingtreding : 1 januari 2020

    Deze wet breidt het toepassingsveld ratione personae van de begunstigden uit door het bedrag dat als inkomensbovengrens dient op te trekken van 1800 euro tot 2200 euro.
     
  • Wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen – BS 30 april 2019
    Inwerkingtreding : 1 januari 2020

    Deze wet tot invoering van een Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen kadert in de harmonisering van de fiscale procedures, en meer in het bijzonder de aanbevelingen van de bijzondere commissie “Internationale fiscale fraude/ Panama Papers”.

    Het Wetboek bevat vijf titels: Titel 1. Algemene bepalingen Titel 2. De minnelijke invordering Titel 3. De gedwongen invordering Titel 4. De onderzoeksbevoegdheden, de bewijsmiddelen en het beroepsgeheim van de ambtenaren belast met de invordering Titel 5. Sancties

KONINKLIJKE BESLUITEN

  • KB van 17 februari 2019 tot uitvoering van diverse wetten en tot aanpassing van diverse koninklijke besluiten met het oog op onder meer de harmonisatie van de betalingsmodaliteiten binnen de administratie van de federale overheidsdienst financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen – BS 8 maart 2019
    Inwerkingtreding : 1 mei 2019.

    In afwijking van het eerste lid, treden het hoofdstuk 2, afdelingen 1 tot 5 en het hoofdstuk 3, afdeling 2 in werking op 1 december 2019.

    In het kader van het harmonisatie- en automatiseringsproces van de Algemene Administratie van Inning en Invordering, werd beslist om de betalingen van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen te centraliseren op één enkele financiële rekening, de financiële rekening "Inning en Invordering” genoemd (art. 152-156 Programmawet 25 december 2017).  

    Dit systeem heeft logischerwijs zijn impact op andere wetgeving. Dit KB past verschillende fiscale wetgevingen aan met het oog op de harmonisatie van zowel de terminologie als de betalingsmodaliteiten (bewijs van betaling, uitwerking van betaling,…) en dit voor de materies waarvoor  de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering  de inning en de invordering verzekert. 

    Daarenboven bepaalt dit KB dat de betaling van niet-fiscale schuldvorderingen bedoeld in de domaniale wet gedaan dienen te worden overeenkomstig de bepalingen van dit KB. Hetzelfde geldt voor de betaling van de bedragen verschuldigd door de onderhoudsplichtige in het kader van de wet tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën en de gerechtskosten in strafzaken.
     
  • KB van 17 maart 2019 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4, 15, 24, 31, 41 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde, met het oog op de automatisering van de uitvoerbare titel inzake de belasting over de toegevoegde waarde – BS 8 april 2019
    Inwerkingtreding : 1 april 2019

    Dit koninklijk besluit wijzigt de bestaande koninklijke besluiten nrs. 4, 15, 24, 31, 41 en 56 met betrekking tot de btw, ten gevolge van de  wet van 26 november 2018  tot wijziging van het Btw-Wetboek wat de automatisering van de uitvoerbare titel inzake de btw betreft.

    Door de ontvanger belast met de invordering van een btw-schuld te ontheffen van de verplichting om de uitvoerbare titel op te stellen, wat nu met name op het gebied van directe belastingen reeds het geval is, wordt toegelaten een stap voorwaarts te zetten in de harmonisatie en de automatisering van de invorderingsprocessen van de fiscale schuldvorderingen en kan het de werkzaamheden van de diensten van de FOD Financiën, en in het bijzonder deze van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, optimaliseren.

    Daarnaast wordt in de gewijzigde koninklijke besluiten, in navolging van de wijziging van artikel 91 van het Btw-Wetboek, een harmonisatie doorgevoerd van de gebruikte terminologie op het gebied van interesten.
     
  • KB van 7 april 2019 tot wijziging van het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken met het oog op onder meer de harmonisatie van de betalingsmodaliteiten binnen de administratie van de federale overheidsdienst financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen – BS 8 mei 2019
    Inwerkingtreding : 1 mei 2019

    Dit koninklijk besluit vormt de uitvoering van de beslissing de betalingen van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen te centraliseren op één enkele financiële rekening, de financiële rekening “Inning en Invordering” genoemd.   

    Dit KB breidt het voormeld principe van de centralisatie van de betaling van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen op de financiële rekening “Inning en Invordering”, zoals voorzien bij de programmawet van 25 december 2017 (artikel 152 en volgende) uit tot de gerechtskosten inzake strafzaken.

    De Algemene Administratie van de Inning en de Invordering verzekert immers de invordering van deze kosten.
     
  • KB van 28 mei 2019 tot wijziging van artikel 4, § 2, van het KB van 17 februari 2019 tot uitvoering van diverse wetten en tot aanpassing van diverse koninklijke besluiten met het oog op onder meer de harmonisatie van de betalingsmodaliteiten binnen de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen – BS 18 juni 2019
    Inwerkingtreding : 28 juni 2019

    Dit koninklijk besluit heeft als doel het financiële rekeningnummer in het oorspronkelijke koninklijk besluit van 17 februari 2019 te schrappen.  Voortaan wordt verwezen naar de financiële rekening van de dienst van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, belast met de centralisatie van de betalingen.
     
  • KB van 29 augustus 2019 tot uitvoering van artikel 85, § 2, derde lid van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot de opmaak van innings- en invorderingsregisters – BS 13 september 2019
    Inwerkingtreding : 13 september 2019

    Dit besluit bepaalt dat de belastingschuld, bestaande uit de belasting, interesten, fiscale en administratieve geldboeten en toebehoren, op naam van de betrokken belastingschuldige wordt opgenomen in een innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 85 van het Btw-Wetboek.

    Aangezien de huidige informaticatoepassing slechts de opname in een innings- en invorderingsregister op één naam toelaat, dient een oplossing geformuleerd te worden voor de gevallen waarin de belastingschuldige is overleden. In dat geval zal de btw-schuld opgenomen worden in het innings- en invorderingsregister op naam van de overledene, voorafgegaan door de vermelding “Nalatenschap”
     
  • KB van 5 september 2019 tot wijziging van het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken met betrekking tot de betaling van de sommen waarvan de invordering wordt verzekerd door de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen – BS 17 september 2019
    Inwerkingtreding : 1 januari 2020

    De betalingsmodaliteiten zoals voorzien in artikelen 15 tot en met 18 van het Invorderingswetboek worden bij wijze van dit besluit toepasbaar verklaard op de betaling betreffende de invordering van geldboeten, teruggaven, schadeloosstelling en kosten met betrekking tot strafzaken.
     
  • KB van 1 oktober 2019 tot uitvoering van artikel 13 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën met betrekking tot de opmaak van innings- en invorderingsregisters -  BS 24 oktober 2019
    Inwerkingtreding : 1 december 2019

    Dit KB bepaalt dat de verschuldigde bedragen, alsook deze die periodiek zouden vervallen, op naam van de betrokken onderhoudsplichtige worden opgenomen in een innings- en invorderingsregister bedoeld in artikel 13 van de wet tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën.

    Dit KB heeft verder als voorwerp het mogelijk te maken, wanneer de onderhoudsplichtige is overleden, de verschuldigde bedragen op te nemen in het innings- en invorderingsregister op naam van de overledene, voorafgegaan door de vermelding “Nalatenschap”.
     
  • KB van 1 oktober 2019 tot uitvoering van artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949 met betrekking tot de opmaak van innings- en invorderingsregisters – BS 24 oktober 2019
    Inwerkingtreding : 1 december 2019

    Dit KB bepaalt dat de niet-fiscale schuldvordering op naam van de betrokken schuldenaar wordt opgenomen in een innings- en invorderingsregister zoals bedoeld in artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.

    Dit KB heeft verder als voorwerp het mogelijk te maken, wanneer de schuldenaar is overleden, de niet-fiscale schuldvordering op te nemen in het innings- en invorderingsregister op naam van de overledene, voorafgegaan door de vermelding “Nalatenschap”.
     
  • KB van 3 oktober 2019 tot aanpassing van de terminologie in de fiscale wetboeken en in het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan deze in het Wetboek van economisch recht – BS 30 oktober 2019
    Inwerkingtreding : 9 november 2019

    Dit besluit betreft een louter terminologische aanpassing en heeft als doel elke verwijzing naar de opgeheven faillissementswet en de WCO-wet in de fiscale reglementering te vervangen door de desbetreffende passages of artikelen van boek XX van het Wetboek van economisch recht. Dit besluit brengt geen enkele inhoudelijke wijziging aan.
     
  • KB van 9 december 2019 tot wijziging of opheffing van diverse uitvoeringsbesluiten als gevolg van de invoering van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen – BS 16 december 2019
    Inwerkingtreding : 1 januari 2020

    In afwijking van het eerste lid, heeft artikel 21 uitwerking op 23 augustus 2019.

    Dit koninklijk besluit bevat volgende aanpassingen naar aanleiding van wet tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen:
    • ​inzake de diverse taksen wordt het koninklijk besluit aangepast aan de automatisering van de uitvoerbare titel.   Het begrip "innings- en invorderingsregister" wordt in de plaats gesteld van het begrip "dwangbevel", ermee rekening houdend dat het innings- en invorderingsregister voortaan de uitvoerbare titel vormt voor de invordering van de diverse taksen;
    • inzake de diverse taksen wordt de uitvoerbare titel op naam van de betrokkene opgesteld, indien deze overleden is, wordt zijn naam voorafgegaan door het woord “nalatenschap”;
    • de uitvoeringsbepalingen van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen en de jaarlijkse taks op de verzekeringsinstellingen worden overgeheveld van het KB van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten naar het KB van 3 maart 1927 houdende uitvoering van het Wetboek diverse rechten en taksen;
    • de verhoging van de boete inzake diverse rechten en taksen wordt opgeheven, vermits ze de facto niet toegepast zou kunnen worden op basis van het arrest van het Hof van Cassatie van 25 april 2002 (C.00.0464.N) inzake btw;
    • de betaling van de diverse taksen en de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen gebeurt voortaan volgens de bepalingen van het invorderingswetboek;
    • daarnaast worden in de verschillende besluiten de verwijzingen naar opgeheven bepalingen aangepast;
    • het hoofdstuk 1 van het KB van 17 februari 2019 (harmonisatie van de betalingsmodaliteiten) en de verwijzingen naar dit KB worden opgeheven en vervangen door een verwijzing naar het invorderingswetboek.
  • KB van 20 december 2019 tot uitvoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen – BS 24 december 2019
    Inwerkingtreding : 1 januari 2020

    Het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, vormt het uitvoeringsbesluit van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, zoals ingevoegd door de wet van 13 april 2019.

    De volgende bepalingen worden geïntegreerd in het uitvoeringsbesluit :
    • ​Het principe van de verzending bij gewone brief, tenzij het Wetboek er anders over beslist (artikel 1) ;
    • de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 februari 2019 tot uitvoering van diverse wetten en tot aanpassing van diverse koninklijke besluiten met het oog op onder meer de harmonisatie van de betalingsmodaliteiten binnen de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (artikelen 2 en 3) ;
    • de  bepalingen van artikelen 207 tot 209 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (artikelen 4 tot 6) ;
    • de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 februari 2005 tot uitvoering van de artikelen 413bis tot 413sexies van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (artikelen 7 tot 10) ;
    • de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 tot uitvoering van de artikelen 84quinquies tot 84decies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (artikel 7 tot 10) ;
    • de bepalingen 229/1 tot 229/3 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de aspecten aangaande het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van de fiscale en niet-fiscale schuldvordering en de er in uitvoering van genomen besluiten (artikelen 11 tot 13).

      Verder bevat het enkele wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen.

MINISTRIËLE BESLUITEN

  • MB van 28 februari 2019 tot opheffing van het MB nr. 14 van 17 oktober 1980 met betrekking tot de inschrijving van de wettelijke hypotheek tot zekerheid van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, van de interesten en van de kosten verschuldigd aan de schatkist – BS 8 april 2019
    Inwerkingtreding : 1 april 2019

    Het ministerieel besluit nr. 14 van 17 oktober 1980 met betrekking tot de inschrijving van de wettelijke hypotheek tot zekerheid van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, van de interesten en van de kosten verschuldigd aan de Schatkist, wordt opgeheven.
     
  • MB van 21 mei 2019 tot aanduiding van de ambtenaren die in de functie van adviseur-generaal zitting hebben in de beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en in de beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 413quinquies, § 2 van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 – BS 7 juni 2019
    Inwerkingtreding : 1 juni 2019

    Dit besluit heeft als voorwerp het aanduiden van de ambtenaren die in de functie van adviseur-generaal zitting hebben in de beroepscommissie die beslist over het beroep van een eventueel onbeperkt uitstel van betaling van de belastingschulden, zoals bedoeld in artikel  84octies, § 2 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en artikel 413quinquies, § 2 van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
     
  • MB van 16 juli 2019 tot aanduiding van de ambtenaren die in de functie van adviseur-generaal zitting hebben in de beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 66, § 2 van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen en dat aan die beroepscommissie de machtiging geeft om op te treden als beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en als beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 413quinquies, § 2, van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 – BS 2 augustus 2019
    Inwerkingtreding : 1 januari 2020

    Dit besluit heeft als voorwerp het aanduiden van de ambtenaren die in de functie van adviseur-generaal zitting hebben in de beroepscommissie die beslist over het beroep tegen een beslissing in zake onbeperkt uitstel van betaling van de belastingschulden, zoals bedoeld in artikel 66, § 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.

    Het ministerieel besluit van 21 mei 2019 tot aanduiding van de ambtenaren die in de functie van adviseur-generaal zitting hebben in de beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en in de beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 413quinquies, § 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt opgeheven.

BERICHTEN

  • Rentevoet voor het kalenderjaar 2020 – in uitvoering van artikel 414, § 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. – Rentevoet voor de kalenderjaren 2019 en 2020 in uitvoering van artikel 10, § 2, derde lid van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën. Berichten – BS 31 oktober 2019

    De rentevoet, bedoeld in artikel 414, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedraagt voor het kalenderjaar 2020 vier procent.

    De rentevoet, bedoeld in artikel 10, § 2, tweede lid van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën bedraagt voor de kalenderjaren 2019 en 2020 vier procent.