Bericht aan de opdrachtgevers en aannemers: bouwsector

Inleiding

De bepalingen van de artikelen 402 en 403 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 92) werden gewijzigd door de programmawet van 27 april 2007 en door de programmawet (I) van 29 maart 2012. De artikels 54 en 55 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (hierna het WMGI) zijn van toepassing op fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen die ontstaan vanaf 1 januari 2020.

De wettelijke bepalingen inzake inhouding en hoofdelijke aansprakelijkheid, die hierna worden verduidelijkt, zijn van kracht geworden op 1.1.2009 voor wat betreft de ondernemingen uit de bouwsector.

Terminologie

Hoe deze woorden te interpreteren:

Werken: de bij artikel 20, § 2, van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 bedoelde werkzaamheden m.b.t. de te nemen maatregelen om de betaling van de BTW te verzekeren;

Opdrachtgever: eenieder die de opdracht geeft om werken uit te voeren of te laten uitvoeren tegen een prijs; er valt op te merken dat de opdrachtgever natuurlijke persoon die werken laat uitvoeren voor louter privédoeleinden niet bedoeld wordt door de bepalingen van de artikelen 54 en 55 van het WMGI1;

Aannemer:

  • eenieder die zich tegen betaling er toe verbindt om werken uit te voeren of laten uit te voeren voor rekening van een opdrachtgever;
  • elke onderaannemer in verhouding tot alle volgende tussenkomende onderaannemers.

Onderaannemer: eenieder die zich rechtstreeks of onrechtstreeks tegen betaling, in welk stadium dan ook, er toe verbindt de werkzaamheden of een gedeelte ervan die aan de aannemer werden toevertrouwd, uit te voeren of te laten uitvoeren of met het oog hierop arbeiders ter beschikking te stellen.

Bedoelde werken

Artikel 20, § 2 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 m.b.t. de te nemen maatregelen om de betaling van de BTW te verzekeren, vermeldt dat: ”Wordt bedoeld alle werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, van het Wetboek [zie hierna]. Worden eveneens bedoeld, in de mate dat zij geen werk in onroerende staat zijn:

1° iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw: - van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren;

- van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van alle vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;

- van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen; - van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;

- van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust; - van luiken, rolluiken en rolgordijn en die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;

2° iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbedekking als de plaatsing ervan in een gebouw, ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;

3° ieder werk dat bestaat in het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van goederen bedoeld in 1° of 2° hierboven.

Wordt ook bedoeld de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van een werk in onroerende staat of van een onder 1°, 2° of 3°, hierboven bedoelde handelingen. “

Artikel 19, § 2, van het BTW wetboek formuleert dat: “Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder werk in onroerende staat het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.”.

Subsidiaire hoofdelijke aansprakelijkheid

De opdrachtgever of de aannemer die voor de bedoelde werken beroep doet op een aannemer of een onderaannemer die fiscale en niet-fiscale schulden heeft op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de schulden van zijn medecontractant.

De hoofdelijke aansprakelijkheid wordt beperkt tot 35 % van de totale prijs van de werken of activiteiten, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, die aan de aannemer of aan de onderaannemer werden toevertrouwd. Zij kan worden aangewend voor de betaling in hoofdsom, met inbegrip van opcentiemen, opdeciemen, verhogingen, administratieve of fiscale boetes, kosten en interesten, ongeacht hun datum van vestiging, van de volgende schulden die bestaan op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst:

1° alle fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen;

2° de buitenlandse belastingschuldvorderingen waarvoor in het kader van internationale of communautaire rechtsinstrumenten de invorderingsbijstand is gevraagd;

3° de niet betaalde bedragen in het kader van de hoofdelijke aansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 54 WMGI2.

Sommen voor dewelke een behoorlijk gerespecteerd afbetalingsplan bestaat en schulden in de opschorting gedurende de periode van opschorting zoals bedoeld in het Wetboek van economisch recht, boek XX, titel V over de gerechtelijke reorganisatie, worden niet als schulden beschouwd.

De hoofdelijke aansprakelijkheid geldt ook voor de fiscale en niet-fiscale schulden van de vennoten een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, die optreedt als aannemer of onderaannemer.

Ze geldt ook voor de fiscale en niet-fiscale schulden van de aannemer of van de onderaannemer die ontstaan in de loop van de uitvoering van de overeenkomst.

De hoofdelijke aansprakelijkheid in hoofde van de opdrachtgever of de aannemer geldt niet als de bij artikel 30bis, § 3 van de wet van 27 juni 1969 (ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 m.b.t. de maatschappelijke zekerheid der arbeiders) bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid reeds wordt toegepast in hoofde van dezelfde opdrachtgever of aannemer.

De hoofdelijke aansprakelijkheid wordt niet toegepast wanneer de hierna bedoelde inhouding en storting correct zijn gebeurd bij elke betaling van de gehele of gedeeltelijke prijs van de werken aan een aannemer of een onderaannemer die op het ogenblik van de betaling fiscale en niet-fiscale schulden heeft.

Indien de hierna bedoelde inhouding en storting niet correct zijn gebeurd bij elke betaling van de gehele of gedeeltelijke prijs van de werken aan een aannemer of een onderaannemer die op het ogenblik van de betaling fiscale en niet-fiscale schulden heeft, worden de eventueel gestorte bedragen in mindering gebracht van het bedrag waarvoor de opdrachtgever of de aannemer verantwoordelijk is gesteld bij het toepassen van de hoofdelijke aansprakelijkheid.

De programmawet van 29 maart 2012 heeft de subsidiaire ketenaansprakelijkheid (her)ingevoerd die van toepassing is wanneer de volgende drie voorwaarden vervuld zijn:

1° op het ogenblik van het afsluiten van het contract heeft de onderaannemer fiscale en niet-fiscale schulden (m.a.w. is onderworpen aan inhoudingsplicht);

2° ook op het ogenblik van de betaling van de factuur door de medecontractant heeft de onderaannemer fiscale en niet-fiscale schulden (m.a.w. is onderworpen aan inhoudingsplicht);

3° de medecontractant laat na om de inhouding toe te passen op de factuur en deze te storten op de rekening van de FOD Financiën, Inningscentrum, dienst Inhoudingen.

IBAN BE33 6792 0023 2046

BIC PCHQBEBB

Praktisch gezien wordt eerst de rechtstreekse hoofdelijke aansprakelijkheid tussen de twee medecontractanten toegepast.

De subsidiaire aansprakelijkheid bestaat erin dat indien het gevorderde bedrag van de hoofdelijke aansprakelijkheid niet betaald wordt, de aannemer, alsook iedere tussenkomende onderaannemer, hiervoor hoofdelijk aansprakelijk zullen zijn. De aansprakelijkheid wordt in chronologische volgorde toegepast ten opzichte van de in een voorafgaand stadium tussenkomende aannemers, wanneer de aannemer - opdrachtgever nagelaten heeft de bij hem gevorderde sommen binnen dertig dagen na de betekening van een dwangbevel te vereffenen.

Heeft u nog vragen?

Raadpleeg de website van de FOD Financiën.

Heeft u echter een vraag over uw persoonlijk dossier, stuur dan een e-mail naar CPIC.FINwithholdingobligation@minfin.fed.be.

Voetnoten

1 En/of de artikelen 402 en 403 van het WIB 92 (oud).

2 En/of het artikel 402 WIB 92 (vroeger).