Werken in onroerende staat

Het relanceplan 2013 van de Regering voorziet verschillende maatregelen ten voordele van de werkgevers die werken in onroerende staat uitvoeren.

Zo ook onder meer een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk waarbij de bestaande maatregel die geldt voor de eerste 130 overuren, voor de werkgevers die werken in onroerende staat uitvoeren vanaf 1 april 2014 wordt uitgebreid tot 180 overuren.

 

Gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing – werkgevers die werken in onroerende staat uitvoeren

  • Welke werkgevers komen in aanmerking voor de verhoging van 130 tot 180 overuren wat de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing betreft?

    Werkgevers die werken in onroerende staat verrichten,  zowel natuurlijke personen als rechtspersonen, die ingevolge de betaling of toekenning van bezoldigingen schuldenaar zijn van bedrijfsvoorheffing en die gebruik maken van een elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem (EARS) voor de bouwplaats waar werknemers tewerkgesteld zijn waarvoor de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing gevraagd wordt.

    Uitzendkantoren die werknemers ter beschikking stellen van werkgevers die werken in onroerende staat verrichten die een EARS gebruiken kunnen eveneens gebruik maken van deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

    Schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing die tot één van voormelde categorieën behoren maar geen EARS gebruiken kunnen evenwel nog steeds gebruik maken van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de eerste 130 overuren per werknemer en per jaar.

  • Wat is een elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem (EARS)?
  • Wat moet worden verstaan onder "werken in onroerende staat"?

    Onder werken in onroerende staat moet worden verstaan, het bouwen, verbouwen, afwerken inrichten, herstellen, onderhouden, reinigen, en het geheel of ten dele afbreken van een uit zijn aard onroerend goed, evenals de handeling die er in bestaat een roerend goed te leveren en zodanig aan te brengen aan een onroerend goed, dat het onroerend uit zijn aard wordt.

    Daarnaast wordt o.a. ook als werk in onroerende staat gezien:

    1. iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw: 
    • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren
    • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van alle vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool
    • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen
    • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon
    • van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust
    • van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst
    1. iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbedekking als de plaatsing ervan in een gebouw, ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;

    2. ieder werk dat bestaat in het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van goederen bedoeld in 1 of 2 hierboven.


    In ruime zin zijn evenwel ook tuinaanleg, bosbouw, het leggen en reinigen van rioleringen, wegenaanleg, schouwvegen enz. als "werken in onroerende staat" aan te merken.

    Voor een uitgebreidere lijst van "werken in onroerende" staat, wordt verwezen naar de ter zake geldende BTW reglementering.

  • Wat moet worden verstaan onder "bouwplaats"?

    Onder het begrip "bouwplaats", zoals gebruikt in deze FAQ’s, moet worden verstaan: elke plaats waar er werken in onroerende staat (zie vraag 3) worden uitgevoerd. Door deze definitie omvat de notie "bouwplaats" elke "werkplek" waar werken in onroerende staat uitgevoerd worden.

  • Welke overuren komen in aanmerking voor de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing (Algemene maatregel – eerste 130 overuren)?

    Het betreft overuren waarop een wettelijke overwerktoeslag van 20%, 50% of 100% van toepassing is. Deze overuren moeten effectief worden gepresteerd door de werknemers waarvoor de vrijstelling wordt ingeroepen.

    Overuren die niet werden uitbetaald, maar die werden omgezet in inhaalrust komen eveneens in aanmerking voor de bepaling van de berekeningsgrondslag voor de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

    Indien de werkgever geen EARS heeft gebruikt voor de bouwplaatsen waar de overuren worden gepresteerd waarvoor een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt gevraagd, komen enkel de eerste 130 overuren, die per werknemer in één jaar worden gepresteerd in aanmerking voor de berekening van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

  • Welke overuren komen in aanmerking voor de verhoging van 130 tot 180 overuren inzake de gedeeltelijk vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing?

    Indien de werkgever aantoont dat hij een EARS gebruikt voor al de bouwplaatsen waarop hij actief is dan komen al de overuren die op die bouwplaatsen zijn gepresteerd in het kader van een geregistreerde aanwezigheid in aanmerking voor de verhoging.

    Indien de werkgever daarentegen slechts een EARS gebruikt voor sommige bouwplaatsen waarop hij actief is dan komen enkel de overuren die effectief op die specifieke bouwplaatsen worden gepresteerd in het kader van een geregistreerde aanwezigheid in aanmerking voor de verhoging.

    De overuren moeten gepresteerd worden op een bouwplaats waar werken in onroerende staat worden verricht. Overuren gepresteerd op de hoofdzetel van een werkgever of op een andere administratieve locatie waar geen werken in onroerende staat worden verricht, zijn uitgesloten.

  • Hoe wordt de berekeningsgrondslag voor de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing vastgesteld?

    Die berekeningsgrondslag bestaat uit de bezoldigingen met betrekking tot de werkelijk gepresteerde overuren die recht geven op een wettelijke overwerktoeslag van 20, 50 of 100%, ongeacht of deze effectief werden uitbetaald, dan wel omgezet in inhaalrust.

    Het betreft bruto bezoldigingen, dus voor de inhouding van de sociale bijdragen.

  • Hoeveel bedraagt het vrijstellingspercentage van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing?

    Het percentage van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedraagt momenteel 32,19% voor overuren met een wettelijke overwerktoeslag van 20% en 41,25%, voor overuren met een wettelijke overwerktoeslag van 50% of 100%.

    Dat percentage moet worden toegepast op de in de vorige vraag bedoelde berekeningsgrondslag. Het bekomen resultaat is het bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat niet in de schatkist moet worden gestort.

    Concreet betekent dit dat het bedrag van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing momenteel als volgt wordt berekend: aantal gepresteerde overuren dat recht geeft op een overwerktoeslag van 20, 50 of 100% (beperkt tot de eerste 130 eventueel vermeerderd met 50 bijkomende overuren) x sociaal bruto uurloon (vóór inhouding van sociale zekerheidsbijdragen) x 32,19 of 41,25% (naargelang de overwerktoeslag 20, dan wel 50 of 100% bedraagt).

  • Op welke bedrijfsvoorheffing mag de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting worden toegepast?

    De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting mag worden toegepast op de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de belastbare bezoldigingen waarin de bezoldigingen zijn begrepen die betrekking hebben op het gepresteerde overwerk op voorwaarde dat die bedrijfsvoorheffing volledig op de bezoldigingen wordt ingehouden.            

    Het bedrag van de niet te storten bedrijfsvoorheffing moet dus niet worden beperkt tot de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen die daadwerkelijk betrekking hebben op het door de werknemer gepresteerde overwerk, maar kan ook worden aangerekend op de andere (gewone) bezoldigingen van de werknemer die in dezelfde aangifte-bedrijfsvoorheffing is opgenomen.

  • Vanaf wanneer heeft een schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing recht op de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de 50 bijkomende overuren bovenop de 130 eerste overuren?

    Vanaf 1 april 2014 en vanaf het ogenblik dat de werkgever voor de betrokken bouwplaats een EARS gebruikt voor de periode waarin de 50 bijkomende overuren worden gepresteerd, kunnen de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing aanspraak maken op een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor 50 bijkomende overuren bovenop de eerste 130 overuren.

    Dit betekent dat geen enkele vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan worden verleend voor de overuren die boven de 130 eerste overuren worden gepresteerd  indien deze werden gepresteerd in een periode voorafgaand aan het effectieve gebruik van een EARS door de betrokken werkgever voor de bouwplaatsen waar de overuren werden gepresteerd.

  • Hoe moet deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting worden verwerkt in de aangifte bedrijfsvoorheffing?

    Er moeten twee aangiftes BV worden opgesteld:

    1steaangifte
    In de eerste aangifte die betrekking heeft op alle werknemers komt in de rubriek "Belastbare inkomsten" het bruto belastbaar inkomen en in de rubriek “Verschuldigde BV”, de aanvankelijk verschuldigde BV.

    2de aangifte
    De tweede aangifte heeft betrekking op de werknemers waarvoor vrijstelling gevraagd wordt.
    In de rubriek "belastbare inkomsten" komt de berekeningsgrondslag die heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag van de werkelijk gepresteerde overuren in die periode.

    In de rubriek "verschuldigde BV" komt een negatief bedrag, gelijk aan 32,19 of 41,25% van het bruto bedrag van de bezoldigingen, dat als berekeningsgrondslag heeft gediend voor de berekening van de overwerktoeslag.

    Naargelang de situatie varieert de te gebruiken code in de rubriek “aard inkomen”.

    • Voor de vrijstelling m.b.t. tot de eerste 130 overuren, komt in deze rubriek de code 45 (overwerktoeslag 20%) of de code 44 (overwerktoeslag 50% of 100%). Het bedrag in de rubriek "belastbare inkomsten" moet worden beperkt tot de bezoldigingen m.b.t. de eerste 130 overuren.
    • Voor de vrijstelling m.b.t. de bijkomende 50 overuren, komt in deze rubriek, de code 52 (overwerktoeslag 20%) of de code 51 (overwerktoeslag 50% of 100%). In dit geval zal de rubriek “belastbare inkomsten” worden beperkt tot maximaal 50 bijkomende overuren.

    Wanneer de werkgever voldoet aan de gestelde voorwaarden voor de toepassing van de verhoging van 130 uur naar 180 uur in dezelfde aangifteperiode waarin het contingent van de eerste 130 uren wordt opgebruikt, zullen er dus drie aangiftes in de bedrijfsvoorheffing worden ingediend voor die periode. De tweede aangifte zal dan de code 45 of 44 dragen naargelang de overwerktoeslag 20, dan wel 50 of 100% bedraagt en betrekking hebben op de eerste 130 overuren, terwijl de derde aangifte de code 52 of 51 zal dragen naargelang de overwerktoeslag 20, dan wel 50 of 100% bedraagt en betrekking hebben op de uren bovenop de eerste 130 met een maximum van 50.

    Vanaf de daaropvolgende aangifteperiode zal de tweede aangifte enkel de codes 52 of 51 bevatten tot het contingent van de 50 bijkomende overuren is opgebruikt.

  • Welke bewijzen moet de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing voorleggen om toepassing te mogen maken van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor overwerk?

    De schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing moet een nominatieve lijst ter beschikking van de administratie houden met daarin, voor elke werknemer, de volledige identiteit, het aantal uren overwerk, de berekeningsgrondslag van de overwerktoeslag en de periode van het jaar gedurende dewelke die werknemer overwerk heeft gepresteerd.

    Wat de 50 overuren betreft bovenop de eerste 130 gepresteerde overuren per werknemer per kalenderjaar, moet de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing bovendien aantonen dat hij een EARS heeft gebruikt voor de bouwplaatsen waar en in de periode waarin de 50 overuren werden gepresteerd in het kader van een geregistreerde aanwezigheid.

  • Kan de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing nog gebruik maken van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing nadat hij reeds de totaliteit van de bedrijfsvoorheffing heeft doorgestort?

    Wanneer de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing de volledige bedrijfsvoorheffing reeds heeft gestort terwijl hij in de voorwaarde verkeerde om aanspraak te maken op een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, kan hij tot 31 augustus van het jaar volgend op het inkomstenjaar deze situatie nog steeds rechtzetten via het indienen van een tweede (negatieve) aangifte bedrijfsvoorheffing.

    Vanaf 1 september van het jaar volgend op het inkomstenjaar is een regularisatie enkel mogelijk via een bezwaarschrift in te dienen bij de bevoegde directeur der belastingen en wel binnen de 5 jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar vanaf wanneer de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is.

  • Op welke manier moeten de overuren toegerekend worden ingeval een werknemer gedurende het jaar op verschillende bouwplaatsen werkt waarvan voor sommige wel en voor andere geen gebruik wordt gemaakt van een EARS?

    Voor de eerste 130 overuren moet steeds worden gebruik gemaakt van de codes 44 of 45, ongeacht of een werknemer deze overuren presteert op bouwplaatsen waarvoor al dan niet gebruik wordt gemaakt van een EARS.

    Het is pas nadat deze eerste 130 uren zijn ‘opgebruikt’, dat bijkomend 50 overuren in aanmerking mogen worden genomen vooropgesteld dat die gepresteerd worden op bouwplaatsen waarvoor een EARS gebruikt wordt en in het kader van een geregistreerde aanwezigheid.

    Het is dus belangrijk om te noteren dat er geen sprake is van twee contingenten van overuren, die door elkaar kunnen worden gebruikt naargelang de voorwaarden inzake het gebruik van een EARS al dan niet vervuld zijn.

    Voorbeeld 1
    Een werknemer presteert in de maanden januari en februari telkens 40 overuren op een bouwplaats waarvoor een EARS wordt gebruikt en waar zijn aanwezigheid is geregistreerd (verder "met EARS"). In de maand maart presteert hij 30 overuren en in april 20 overuren telkens op bouwplaatsen zonder EARS. In mei presteert hij 20 overuren op een bouwplaats met EARS. In juni presteert hij 30 uur op een bouwplaats zonder EARS en 10 uur op een bouwplaats met EARS. In september presteert hij 30 overuren op een bouwplaats met EARS.

    De overuren van de maanden januari (40), februari (40), maart (30) en april (20) zullen in een code 44 of 45 moeten worden vermeld aangezien deze binnen de eerste 130 overuren vallen.
    De 20 overuren van de maand mei komen in aanmerking voor de bijkomende 50 uren en mogen dus in de code 51 of 52 worden vermeld. De 30 uren in juni, gepresteerd op een bouwplaats zonder EARS komen niet meer in aanmerking, want voldoen niet aan de voorwaarden voor de bijkomende 50 uren en vallen buiten de eerste 130 uren. De 10 uren op de bouwplaats met EARS komen wel in aanmerking, evenals 20 van de 30 uur van september (het saldo van 10 uren komt niet meer in aanmerking aangezien het contingent van 50 uren is opgebruikt).

    Voorbeeld 2
    Een werknemer presteert in de maanden januari, februari en maart telkens 40 overuren op een bouwplaats waarvoor een EARS wordt gebruikt. In de maand april presteert hij 30 overuren op bouwplaatsen zonder EARS. In mei presteert hij 20 overuren op een bouwplaats met EARS. Voor de rest van het jaar presteert hij enkel nog overuren op bouwplaatsen zonder EARS.

    De overuren van januari (40), februari (40) en maart (40) komen in een code 44 of 45, aangezien zij nog steeds behoren tot de eerste 130 uren. Van de 30 overuren van april komen er nog 10 in aanmerking voor de eerste 130 overuren. De overuren van mei mogen worden vermeld in de code 51 of 52 aangezien zij voldoen aan de voorwaarden voor de bijkomende 50 uren. Alle andere overuren van dat jaar voldoen evenwel niet aan de voorwaarden voor de bijkomende overuren en vallen ook buiten het contingent van de eerste 130 overuren.

  • Beoogt de fiscale maatregel enkel het verplichte gebruik van een EARS of kan een werkgever ook vrijwillig een EARS gebruiken enkel en alleen met het oog op de toepassing van het belastingvoordeel voor 50 bijkomende uren overwerk?

    Ingevolge de sociale wetgeving is het gebruik van een EARS verplicht voor bouwplaatsen waar werken worden uitgevoerd voor een bedrag vanaf 800.000,- euro exclusief BTW.  In dergelijke gevallen zal de bouwdirectie alle op de bouwplaats aanwezige werkgevers daarvan op de hoogte brengen.

    Voor bouwplaatsen waar werken worden uitgevoerd onder die grens is een EARS principieel niet verplicht. Individuele werkgevers kunnen op dergelijke bouwplaatsen toch vrijwillig gebruik maken van een EARS voor hun werknemers die op die bouwplaats tewerkgesteld zijn. In dergelijk geval hebben zij fiscaal recht op de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de bijkomende 50 overuren die op die bouwplaats gepresteerd worden in het kader van een geregistreerde aanwezigheid.

  • Kan de werknemer die overuren presteert ook zelf aanspraak maken op een belastingvoordeel?

    Aan de werknemer wordt inderdaad een belastingvermindering verleend voor de overuren waarvoor bij de werkgever de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing geldt.

    Die belastingvermindering wordt ook in de bedrijfsvoorheffing toegepast. Dat betekent dat een werknemer in principe netto meer zal ontvangen in de maand waarin hij het betreffende overwerk heeft gepresteerd omdat er voor die maand minder bedrijfsvoorheffing op zijn loon zal worden ingehouden.

    Regels om de verschuldigde bedrijfsvoorheffing vast te stellen