BTW

Wetten

  • Wet van 30 juni 2017 houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude.
    (BS van 7 juli 2017)
    Artikel 7 van deze wet vervangt, in opvolging van een aanbeveling van de parlementaire onderzoekscommissie naar de grote fiscale fraude-dossiers, artikel 52bis van het Btw-Wetboek. Artikel 52bis, nieuw, laat voortaan toe bewarend beslag te leggen op roerende goederen wanneer ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde ter gelegenheid van hun onderzoek een geheel van overeenstemmende aanwijzingen van ernstige fraude, al dan niet georganiseerd, vaststellen.
  • Wet van 10 juli 2017 tot versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst.
    (BS van 20 juli 2017, ed. 2)
    Artikel 8 van deze wet vervangt artikel 85ter van het Btw-Wetboek om het recht op bemiddeling in algemene termen te formuleren, waarbij rekening wordt gehouden met de nieuwe organisatie en structuren van de Algemene Administratie van Inning en Invordering.
  • Wet van 22 oktober 2017 houdende diverse fiscale bepalingen I.
    (BS van 10 november 2017)
    Artikel 16 van deze wet bekrachtigt de koninklijke besluiten van 26 januari 2016 en 3 augustus 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. Het eerste koninklijk besluit betreft de toepassing van het verlaagd tarief van 6 pct. voor werk in onroerende staat en ermee gelijkgestelde handelingen met betrekking tot privéwoningen alsook de invoering van het verlaagd tarief van 6 pct. voor assistentiehonden. Het tweede koninklijk besluit breidt de toepassing van het verlaagd tarief van 6 pct. voor gebouwen bestemd voor het onderwijs uit tot die bestemd voor leerlingenbegeleiding.
  • Wet van 29 november 2017 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, met betrekking tot de opeisbaarheid van de belasting, de met diensten gelijkgestelde handelingen, de regeling van actieve veredeling bij invoer en de vrijstelling van de belasting voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee.
    (BS van 6 december 2017)
    Deze wet brengt wijzigingen aan in het Btw-Wetboek die aansluiten op vroegere wijzigingen betreffende de nationale en communautaire wetgeving, in het bijzonder wat de opeisbaarheid van de belasting en de algemene regeling voor accijnsproducten betreft. De wet wijzigt eveneens het genoemd Wetboek wat betreft de met diensten gelijkgestelde handelingen, de regeling van actieve veredeling bij invoer en de vrijstelling van de belasting voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee.
  • Wet van 25 december 2017 houdende diverse fiscale bepalingen III.
    (BS van 29 december 2017, ed. 1)
    Artikel 105 van het Btw-Wetboek bepaalt dat de Koning ten laatste tot 31 december 1999, bij in Ministerraad overlegd besluit, alle maatregelen kan treffen om een goede uitvoering van de verordeningen en richtlijnen van de Raad van de Europese Unie of van de Europese Commissie die betrekking hebben op de afschaffing van de fiscale binnengrenzen op 1 januari 1993, alsmede om de juiste heffing van de belasting te verzekeren. Rekening houdend met het feit dat voornoemd artikel 105 sinds 1 januari 2000 is vervallen, heft artikel 14 van deze wet dit artikel op.

 

Koninklijke besluiten

  • Koninklijk besluit van 16 februari 2017 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1 en 24 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de betaling van voorschotten door een belastingplichtige die kwartaalaangiften indient.
    (BS van 23 februari 2017, ed. 2)
    Dit koninklijk besluit wijzigt de regels wat betreft de verplichte betaling van voorschotten door btw-belastingplichtigen die periodieke aangiften indienen. In het kader van een meer efficiënte administratieve vereenvoudiging worden enerzijds de kwartaalvoorschotten afgeschaft en wordt anderzijds de betaling van het decembervoorschot voortaan verplicht voor alle bedoelde belastingplichtigen.
  • Koninklijk besluit van 11 mei 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de kastickets in de horecasector.
    (BS van 1 juni 2017)
    Dit koninklijk besluit wijzigt de bepalingen met betrekking tot de niet-proportionele fiscale geldboeten die van toepassing zijn op het gebruik van een kassasysteem in de horecasector. De boete beoogt voortaan het niet houden van een geregistreerd kassasysteem dat voldoet aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen en is van toepassing zowel op de belastingplichtigen die een niet conform kassaregister gebruiken als op de belastingplichtigen die geen kassaregister bezitten.
  • Koninklijk besluit nr. 57 van 31 oktober 2017 met betrekking tot de plaats van diensten in functie van hun werkelijke gebruik of hun werkelijke exploitatie inzake belasting over de toegevoegde waarde wat goederenvervoerdiensten en ermee samenhangende diensten betreft.
    (BS van 13 november 2017)
    Het koninklijk besluit nr. 57, nieuw, geeft uitvoering aan artikel 21, § 4, van het Btw-Wetboek wat de plaats van goederenvervoerdiensten en ermee samenhangende diensten in functie van hun werkelijke gebruik of werkelijke exploitatie betreft. Dit koninklijk besluit herneemt de bepaling van het KB nr. 57 van 17 maart 2010, oud, voor dergelijke diensten die volgens de algemene regels inzake de plaatsbepaling in België zouden plaatsvinden, geacht worden buiten de Gemeenschap plaats te vinden wanneer het volledige traject van de goederenvervoerdiensten buiten de Gemeenschap wordt afgelegd (artikel 21, § 4, 1°, van het Wetboek). Het koninklijk besluit voert voor de genoemde diensten een nieuwe bepaling in die de tegenhanger vormt van de initiële bepaling, waardoor dergelijke diensten die volgens de algemene regels inzake de plaatsbepaling buiten de Gemeenschap zouden plaatsvinden, geacht worden in België plaats te vinden wanneer het volledige traject van de goederenvervoerdiensten in België wordt afgelegd (artikel 21, § 4, 2°, van het Wetboek).
  • Koninklijk besluit van 10 december 2017 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wat bepaalde producten bestemd voor de intieme hygiënische bescherming en de externe defibrillatoren betreft.
    (BS van 22 december 2017)
    Dit koninklijk besluit onderwerpt de maandverbanden, de tampons en de inlegkruisjes bestemd voor de hygiënische bescherming van de vrouw en de intieme tissues bestemd voor de hygiënische bescherming van de genitale zone van personen andere dan baby’s alsook de externe defibrillatoren aan het verlaagd tarief van 6 pct.
 

Ministeriële besluiten

  • Ministeriële besluiten van 10 mei 2017 en 22 december 2017 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 8 april 2016 tot aanwijzing van de Adviseurs-generaal – gewestelijk directeurs die in aanmerking komen om zitting te hebben in de Beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 84octies, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en in de Beroepscommissie zoals bedoeld in artikel 413quinquies, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
    (BS van 23 mei 2017, ed. 1 en 24 januari 2018)
    Deze ministeriële besluiten wijzigen de samenstelling van de in artikel 84octies, § 2, van het Btw-Wetboek bedoelde Beroepscommissie, bevoegd om uitspraak te doen over het beroep tegen een beslissing inzake het onbeperkt uitstel van invordering.